Geschiedenis

FS - GeschichteDe eerste keer dat Cochem offi cieel genoemd wordt in de kronieken is in een van de abdij van Prüm gedateerd 20 december 866. Voor die tijd waren de Kelten en Romeinen volkeren die de stempel op de buurt gedrukt hebben. In de genoemde kroniek schenkt de "edele matrone" Hieldilda aan het klooster diverse goederen, waaronder een heren-huis "villa Chuchema". Op de burcht resideerden tot het jaar 1151 de paltsgraven, de Ezzonen.

De stichter van de burcht was Ehrenfried, een zwager van keizer Otto. Zijn dochter, Richeza trouwde met Miseco, de koning van Polen. Na zijn dood keerde zij naar de Moezel terug omdat zij door de landgenoten van haar overleden man werd verdreven. Daarna waren er veel onderlinge twisten in dit gebied, zo werd de burcht tijdelijk bewoond door de paltsgraaf van Salm en Luxemburg die als "tegenpaus" van keizer Heinrich IV moest dienen. Voor de keizer moest hij echter het veld ruimen en voor hem bleven toen alleen nog maar strooptochten op en langs de Moezel over om aan zijn dagelijkse kost te komen.

Veel bewondering oogstte hij daardoor niet bij de streekbewoners, want van hen kreeg hij de bijnaam "de knofl ookkoning". Een einde aan deze voor de bevolking onstuimige tijd die zich ook kenmerkte door de ruzies tussen de Rheindecker en de Stahlecker, werd gemaakt door de Hohenstaufer Konrad III die vanuit Boppard oprukte, de burcht veroverde en er zich blijvend als leenheer vestigde. Tot 1294 was Cochem koninklijke tolplaats aan de Moezel en rijksheerlijkheid. Burgfest Reichsburg Cochem Op de burcht heersten de burggraven die nu en dan, om de kas aan te vullen, rooftochten organiseerden in de buurt. Toen dit roven echter te grote proporties aannam, vond Rudolf van Habsburg dat hij de burchtgraaf Cuni ter verantwoording moest roepen. Hij veroverde de burcht en maakte daardoor een einde aan de strooptochten. De regionale notabelen woonden in het gebied oder de burcht in "Burgfrieden" en de "Herrenstrasse"; zijn moesten echter de hand- en spandiensten verrichten voor de kasteelheer, waar tegenover stond dat zij vrijgesteld waren van de lokale belastingen.

In de middeleeuwen was het Cochemer Land een buffer tussen twee afzonderlijke delen van het bisdom Trier. Tot het Cochemer Land behoorden naast Cochem, ook Kaiseresch, Mayen, het Cröver Reich, Spingiersbach en Kondelwald. De bisschoppen van Trier was deze deling een doorn in het oog en gebruik makende van de slechte fi nanciële situatie van Koning Adolf van Nassau lukte het bisschop Boemund I het Cochemer Land als onderpand in handen te krijgen. Tot aan de Franse tijd in 1794 duurde deze situatie voort, het was meestal een voorspoedige tijd, onder de bisschoppelijke kromstaf was het goed leven. De bisschoppen deden veel voor de ontwikkeling van het gebied.

Aartsbisschop Balduin (1307 - 1354), een broer van Keizer Heinrich IV van Luxemburg vergrootte de burcht, zorgde voor de uitbreiding van de weg langs de Moezel en bouwde de vesting Kemplon. In het jaar 1332 krijgt Cochem stadsrechten en wordt met stadsmuren versterkt. Veel voorname geslachten stammen uit die tijd en hebben in de stad gewoond: Dietz aan de Lahn, von Ulmen, Bürresheim, Arras en Monreal. Recht werd gesproken op het kasteel van de Winneburgers dat al sinds 1200 bestaat, iedere zaterdag werd op de markt in Cochem uitspraak gedaan. De opvolgers van de Winneburger waren de Mechernicher.

Blijkbaar waren de regenten van de streek in Cochem graag en daarvoor vaak te gast; in het jaar 1512 trekt keizer Maximiliaan I met zijn gastheer, de aartsbisschop Richard von Greifenklau in een plechtige processie door de stad naar de St. Martinskerk. Helaas heeft Cochem ook slechte tijden beleefd. Het Peterskapelletje, beneden aan de burcht herinnert aan de pestepidemie tussen 1423 en 1425. Verwoestingen door roversbenden, o. a. door de Moezelbende in de 30 jarige oorlog hebben hun sporen achtergelaten.

De ergste periode in de geschiedenis van de stad speelde zich af in de jaren 1688 en 1689. Lodewijk de XIV, de Franse koning had zijn bouwheer Vauban de vesting Monreal laten bouwen op het plateau boven de Moezel bij Traben Trarbach. Van daaruit plunderden en terroriseerden de Fransen het dal van de Moezel. Steeds weer reizen schepenen en notabelen naar Monreal om verlichting voor stad en burgers te smeken. Doch in mei 1689 werd het kasteel Winneburg verwoest: in de kronieken staat: "ahn den Himmel gehänkt und jämmerlich verbrannt, ein Spectacul grausam in der Nacht anzusehen". Twee dagen later was de burcht Cochem aan de beurt: de luitenant van de Franse Koning, Saxis, vernietigde de burcht tot op haar grondvesten. Daarna werd de stad weer veroverd door troepen van de keurvorst van Trier, doch de Fransen besluiten tot een tegenaanval over te gaan. De stormaanval wordt op 25 augustus 1689 ingezet, de stad wordt veroverd, de zwakke bezetting en een deel van de bevolking vermoord en het Capucijnerklooster, de laatste toevlucht van de verdedigers, wordt in brand gestoken.

Door al deze terreur is de stad vrijwel verlaten en zeer verarmd. Zeer langzaam komt de opbouw weer op gang, waarbij gebruik wordt gemaakt van materialen die afkomstig zijn van de inmiddels ontmantelde vestiging Monreal. In 1733 wordt bijvoorbeeld pas de vernielde toren van de parochiekerk hersteld. Toch herstelt de stad zich van al deze tegenslagen en wordt in de 18e eeuw steeds meer centrum van handel en handwerk in de streek. Wekelijks gaan schepen vol met handelswaar en handelaars naar Koblenz, voor de beurs in Frankfort bereiden de inwoners van Cochem een speciaal schip voor en verkopen daar produkten van het land, ijzeren gereedschappen graan en eikenschors. Een schrijver van reisverhalen verbaast zich begin van de 19e eeuw over het feit dat Cochem net zoveel bier- en wijnkroegen telt als de stad Breslau, qua omvang met 90.000 inwoners de tweede stad in de staat Pruisen.

In het jaar 1796 bezetten franse revolutionaire troepen de stad Cochem, die daardoor- net als het hele Rijnland- bij Frankrijk werd ingelijfd. Doortrekkende troepen, oorlogsbijdragen en kosten verbonden aan de noodgedwongen inkwartiering van bezettingstroepen veroorzaakten veel extra lasten voor de bevolking en daardoor armoede en leed. Hierdoor ontstonden in deze regio veel roversbenden waarvan de leden door roof en diefstal hun gezinnen toch een bestaan trachtten te geven. De meest beruchte bendes zijn de Felzerbende onder aanvoering van Nicolay uit Cochem, ook bekend waren de bendes van Schinderhannes, Tuchhannes en Grundbirn-Klos, de bendes stroopten het hele Moezeltal af doch ook de Moezel en vooral de Hunsrück waren regelmatig doelwit van hun rooftochten. Deze roerige periode duurde tot aan het einde van de Franse tijd in 1815. Toen werd op het Congres van Wenen bepaald dat Cochem weer bij het koninkrijk Pruisen zou worden gevoegd, in 1816 werd Cochem tot het administratieve centrum van dit nieuwe district benoemd.

De jaren 1848 en 1849 gelden in de recente geschiedenis als "de dolle jaren", ook in het district Cochem, de democratisering kreeg gestalte en grote redevoeringen over dit onderwerp werden gehouden in de lokalen "de Sonne" en "Auf dem Zollhaus" (tegenwoordig Union) en waren voor de stadsbewoners aanleiding tot langdurige feesten. "Dat was het jaar dat het hele jaar carnaval in Cochem was", zingen met carnaval de mensen in Cochem zelfs nu nog.

De in 1689 door de Fransen verwoeste Reichsburcht werd tussen 1869 en 1877 door de handelsattaché Louis Ravené uit Berlijn weer opgebouwd en wel op basis van de oorspronkelijke ontwerpen uit 1576. In 1942 viel de Reichsburcht aan de Duitse staat, de afronding van de restauratie viel samen mit opening van de Kaiser Wilhelmtunnel die het spoortrajekt langs de Moezel van de Cochemer Krampen reduceert van 21 tot 4,2 kilometers. Daarmee beschikt Cochem over een van de langste spoorwegtunnels in Duitsland.

De Reichsburcht is sinds 1 april 1978 in het bezit van de stad Cochem. De vissersdorpen Cond en Sehl hadden hun eigen ontwikkeling. Cond behoorde lange tijd tot het gebied van de rijksabdij van Stablo-Malmedy. Pas na de bouw van de Moezelbrug in Cochem in 1927 werden de twee plaatsen in 1932 ook via een gemeentelijke reorganisatie in een gemeente verenigd. Tengevolge van het stationeren van luchtmachtpersoneel in de directe omgeving na het jaar 1956, groeide vooral de kern Brauheck.

Het toerisme kwam pas aan het begin van de 19e eeuw op gang, vooral Engelse schilders waren echte promotors van het gebied door de vele tekeningen en schilderijen die zij aan de Moezel gewijd hebben. Voor Cochem brak het echte tijdperk van het toerisme in de dertiger jaren van de vorige eeuw aan.

Terug naar het overzicht

Kontakt Newsletter Facebook